← Alle uitleg over woordspelling
Woordspelling

Het meervoud.

Het meervoud met –en.
Veel woorden zet je in het meervoud door  -en achter het woord te zetten: broek - broeken, hand - handen en riem - riemen. 

Bij de korte klanken: a, o, e ,u en i, maak je het meervoud door de medeklinker te verdubbelen en  -en achter het woord te zetten: bak - bakken, bok - bokken en klit - klitten. 

Bij de lange klanken: oo, aa, ee en uu maak je het meervoud door één klinker weg te halen en -en achter het woord te zetten: zoon - zonen, uur - uren, meer - meren en haar - haren. 

Wanneer een woord eindigt op: es, it, el, et of ik en op die laatste klankgroep valt geen klemtoon, dan wordt de laatste medeklinker niet verdubbeld: engel - engelen, dreumes - dreumesen, slimmerik - slimmeriken, kievit - kieviten en lemmet - lemmeten. 

Het meervoud met een –s.
Als een woord in het meervoud een -s krijgt, komt die er meestal gewoon aan het woord vast: café - cafés, deejay - deejays, sirene - sirenes en medaille - medailles.

Het meervoud van woorden die eindigen op een -s of -f.

Als een woord in het enkelvoud eindigt op een -s, wordt die s in het meervoud vaak een z: baas - bazen, kies - kiezen en kaas - kazen.
Maar niet altijd: kans - kansen en krans - kransen. 

Als een woord in het enkelvoud eindigt op een -f, wordt de f in het meervoud vaak een v: korf - korven en druif - druiven.
Maar niet altijd: smurf - smurfen, paragraaf - paragrafen en fotograaf - fotografen. 

Het meervoud met ën.
Bij woorden, die eindigen op -ee, maak je het meervoud door  -ën achter het woord te zetten: zee - zeeën, idee - ideeën en twee - tweeën. 

Achter woorden, die eindigen op een -ie waarop de klemtoon valt, zet je in het meervoud óók -ën: knie - knieën, drie - drieën en melodie - melodieën. 

Achter woorden, die op een -ie eindigen waar de klemtoon niet op valt, zet je in het meervoud alleen een –n. Maar op de laatste e moet dan wel een trema: bacterie - bacteriën, porie - poriën en evangelie - evangeliën. 

Het meervoud met een -s of ’s.
Er zijn ook woorden waar je om het meervoud te maken gewoon een -s achter zet: ruzie - ruzies, premie - premies, cowboy - cowboys, wafel - wafels en etage - etalages. 

Als een woord op een: a, i, o, y of u eindigt, zet je er in het meervoud ’s achter: opa - opa’s, kiwi - kiwi’s, foto - foto’s, baby - baby’s en paraplu - paraplu’s. 

Woorden, met meer dan één meervoudsvorm.
Bij woorden, die op -um eindigen, kan je vaak op meerdere manieren het meervoud maken. Je mag daar het aangepaste meervoud gebruiken of het oude, uit het Latijn: museum - museums - musea, podium - podiums - podia, aquarium - aquariums - aquaria en decennium - decenniums - decennia.

Deze uitleg toepassen

Kies een oefentoets woordspelling voor groep 7 of groep 8.