← Alle uitleg over woordspelling
Woordspelling

Woorden, met een, korte -, lange - of twee-teken klank.

Woorden, met een twee-teken klank.
Als je aan het eind van een klankgroep een twee-teken klank hoort: de au, ou, ei, ij, ui, oe, eu of ie, schrijf je wat je hoort: kuiken, vleugel en klieren. 

Woorden, met een korte klank.
Als je aan het eind van een klankgroep een korte klank hoort: een a, e, o, i of u, schrijf je daarna twee dezelfde medeklinkers: lammetje, vissen, mussen en vossen. 

Een enkele klinker zoals: een a, e, o, i of u, die voor een ch staat wordt uitgesproken als een korte klank: lichaam, lachen, echo, pocher en kuchen.
Daarom moet je bij goochelaar een oo schrijven. 

Woorden, met een lange klank.
Als je aan het eind van een klankgroep een lange klank hoort: een  aa, oo, uu of ee, schrijf je één klinker: toneel, buren, zweten en praten.

Deze uitleg toepassen

Kies een oefentoets woordspelling voor groep 7 of groep 8.