Hoofdletters.
Een zin begint altijd met een hoofdletter.
Maar woorden midden in een zin moeten ook weleens met een hoofdletter worden geschreven, zoals:
Bij namen.
De namen van personen en heilige feestdagen: Peter Pan, Suikerfeest en Kerstmis.
De namen van een product en van de maker ervan: een Armani pak en Pepsi.
Maar de namen van een product uit een bepaalde streek, schrijf je met een kleine letter: een fles champagne, een glas rijnwijn en haarlemmerolie.
Aardrijkskundige namen, zoals de namen van plaatsen, streken, bergen, rivieren, landen en hemellichamen: Zuid-Holland en Pluto. Maar de zon en de maan schrijf je met een kleine letter.
Namen van instellingen, waarvan er maar één bestaat: de Hoge Raad en de Tweede Kamer.
Namen van boeken, toneelstukken, schilderijen, beelden en merknamen: een Coca-Colablikje en de Nachtwacht.
Namen, die je met een kleine letter schrijft.
De namen van maanden en dagen, schrijf je met een kleine letter.
Bij windstreken.
Windstreken, als ze naar een deel van een gebied verwijzen: in het Westen zijn overstromingen en Noordoost-Groningen.