← Alle uitleg over woordspelling
Woordspelling

Verkleinwoorden.

Verkleinwoorden met -je of –tje.
Vaak maak je het verkleinwoord door, achter het woord in het enkelvoud, je of -tje te zetten: cakeje, banaantje en buikje.

Maar pas op!
Bij jongen verdwijnt de n: jongetje.

Bij alle woorden, die eindigen op: een lang klinkende o, a, e of u, moet je, als je het verkleinwoord maakt, de laatste letter verdubbelen, anders verandert de klank: papaatje, fotootje, en parapluutje. 

Ook wanneer een woord op: een y eindigt, een afkorting is of er cijfers in zitten, gebruik je bij het verkleinwoord ’tje: baby'tje, A4'tje en cd'tje . 

Bij Franse woorden hoor je vaak aan het eind een andere klank dan die van de laatst geschreven letter. Ook als je dan het verkleinwoord wilt maken, zet je er gewoon -je of -tje achter: foyertje en bureautje. 

Verkleinwoorden met -kje of –etje.
Bij woorden, die op -ing eindigen, maak je het verkleinwoord door de g weg te laten en -kje of -etje achter het woord te zetten: koninkje, splitsinkje en ringetje. 

Verkleinwoorden bij woorden die op een m eindigen.
Bij een aantal woorden, dat op een m eindigt, maak je het verkleinwoord door er -pje achter te zetten: rijmpje en boompje. 

Bij woorden, die eindigen op een m met een korte klank ervoor, maak je het verkleinwoord door er -metje achter te zetten: dammetje en bommetje. 

Verkleinwoorden bij woorden die eindigen op een é.
Als een woord in het enkelvoud op é eindigt, maak je het verkleinwoord door het accent weg te laten en de e te verdubbelen: cafeetje en sateetje. 

Verkleinwoorden bij woorden die eindigen op een i.
Bij een woord, dat op een i eindigt, maak je het verkleinwoord door een extra e te schrijven + tje: skietje.

Deze uitleg toepassen

Kies een oefentoets woordspelling voor groep 7 of groep 8.