Samenstellingen.
Dit zijn woorden waarbij je één of meer woorden aan elkaar plakt. Gelukkig zijn er wat regeltjes:
Als een woord is gemaakt van twee of meer woorden, moet je die woorden helemaal schrijven: kiespijn, slagroom, sneltrein, tandarts.
Koppeltekens in samenstellingen.
In samenstellingen van: woorden, getallen of letters, moet je soms een koppelteken zetten. Dat moet bij:
Een klinkerbotsing: diploma-uitreiking en zonne-energie.
Aardrijkskundige namen, ook als ze als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt: Zuid-Holland en Noord-Hollandse duinen.
Twee gelijkwaardige woorden: woon-werkverkeer, hotel-restaurant en noord-zuidverbinding.
Woorden, die beginnen met: ex-, chef-, leerling-, oud- of assistent-: ex-man, chef-kok, assistent-trainer, oud-collega en leerling-monteur.
Samenstellingen met: een afkorting, getal, symbool of aparte letter: cd-speler, 65+-kaart, A4-formaat en IQ-test.
Een rang, functie of titel: minister-president en generaal-majoor.
Woorden, waarbij het tweede deel van de samenstelling met een hoofdletter moet worden geschreven: trans-Atlantisch en on-Nederlands.
Samenstellingen van meer dan twee woorden: huis-aan-huisreclame en kat-en-muisspel.
De tussen-n en tussen-s in samengestelde woorden.
De tussen-n.
Als het eerste deel van het woord een zelfstandig naamwoord is, dat in het meervoud op -en eindigt, moet je een tussen-n schrijven: pannenkoek, hondenhok en kattenbak.
Als het eerste deel van een samenstellingen van een werkwoord komt schrijf je geen tussen-n: spinnewiel en zonnebank.
De tussen-s.
Als een samengesteld woord uit twee zelfstandige naamwoorden bestaat, schrijf je een tussen-s als de meeste mensen die uitspreken: dorpskerk, verkeersbord en stationschef.