Stam of ik-vorm
De stam van een werkwoord maak je door van het hele werkwoord -en af te halen:
hele werkwoord: lopen – stam: lop
hele werkwoord: beven – stam: bev
hele werkwoord: hikken – stam: hikk
hele werkwoord: huilen – stam: huil
hele werkwoord: staan – stam: sta
hele werkwoord: kiezen – stam: kiez
Maar je ziet, dat we die stam meestal niet zomaar in een zin kunnen gebruiken.
We moeten hem vaak aanpassen.
We noemen dat nieuwe stukje dan de aangepaste stam of de ik-vorm.
Bij de stam moet je:
Soms letters toevoegen om een lange klank te houden:
werkwoord: lopen - stam: lop - aangepaste stam of ik-vorm: loop
werkwoord: slepen - stam: slep - aangepaste stam of ik-vorm: sleep
Soms één medeklinker weghalen:
werkwoord: bukken - stam: bukk - aangepaste stam of ik-vorm: buk
werkwoord: vallen - stam: vall - aangepaste stam of ik-vorm: val
En soms letters veranderen, want een v of een z staan nooit aan het eind van een woord.
werkwoord: beven - stam: bev - aangepaste stam of ik-vorm: beef
werkwoord: kiezen - stam: kiez - aangepaste stam of ik-vorm: kies
Op deze site gebruiken we altijd de naam “ik-vorm”.
Deze uitleg toepassen
Kies een oefentoets werkwoordspelling voor groep 7 of groep 8.