De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd.
De persoonsvorm van een zin vind je door de zin in de vragende vorm te zetten, dan komt de persoonsvorm vooraan te staan.
De zin: hij gaat naar school. De vragende zin: Gaat hij naar school? Dan is gaat de persoonsvorm.
Een andere manier is om de zin in het meervoud (of enkelvoud) te zetten, dan verandert de persoonsvorm van vorm.
Enkelvoud: hij gaat naar school. Meervoud: wij gaan naar school. Gaat is veranderd in gaan.
Dat zijn dus de twee persoonsvormen.
Als de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd staat, kies je het hele werkwoord, daarna de ik-vorm.
Staat er ik in de zin, dan schrijf je de ik-vorm.
Staat er je of jij achter de persoonsvorm, dan schrijf je ook de ik-vorm.
Heb jij dat werkelijk gedaan?
Zeur je altijd zo?
Let op: als je achter de persoonsvorm niet door jij is te vervangen, dan schrijf je de ik-vorm + t.
Wat vindt je broer van die film? ( hier betekent je geen jij, maar jouw )
Staat er je of jij voor de persoonsvorm, dan schrijf je de ik-vorm + t.
Jij hebt dat al die tijd geweten.
Je zeurt, weet je dat?
Staat er hij, zij, u of het in de zin, dan schrijf je de ik-vorm + t.
Hij loopt naar school, u fietst naar huis, het draaft in de wei.
Bij wij, jullie en zij schrijf je het hele werkwoord.
Zij lopen naar school, jullie fietsen naar huis, zij fietsen naar huis.
ik.........jij ik-vorm.
Werkwoord - tegenwoordige tijd: jij, hij, zij, u, het ik-vorm + t.
wij, jullie, zij hele werkwoord.
De zin: hij gaat naar school. De vragende zin: Gaat hij naar school? Dan is gaat de persoonsvorm.
Een andere manier is om de zin in het meervoud (of enkelvoud) te zetten, dan verandert de persoonsvorm van vorm.
Enkelvoud: hij gaat naar school. Meervoud: wij gaan naar school. Gaat is veranderd in gaan.
Dat zijn dus de twee persoonsvormen.
Als de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd staat, kies je het hele werkwoord, daarna de ik-vorm.
Staat er ik in de zin, dan schrijf je de ik-vorm.
Staat er je of jij achter de persoonsvorm, dan schrijf je ook de ik-vorm.
Heb jij dat werkelijk gedaan?
Zeur je altijd zo?
Let op: als je achter de persoonsvorm niet door jij is te vervangen, dan schrijf je de ik-vorm + t.
Wat vindt je broer van die film? ( hier betekent je geen jij, maar jouw )
Staat er je of jij voor de persoonsvorm, dan schrijf je de ik-vorm + t.
Jij hebt dat al die tijd geweten.
Je zeurt, weet je dat?
Staat er hij, zij, u of het in de zin, dan schrijf je de ik-vorm + t.
Hij loopt naar school, u fietst naar huis, het draaft in de wei.
Bij wij, jullie en zij schrijf je het hele werkwoord.
Zij lopen naar school, jullie fietsen naar huis, zij fietsen naar huis.
ik.........jij ik-vorm.
Werkwoord - tegenwoordige tijd: jij, hij, zij, u, het ik-vorm + t.
wij, jullie, zij hele werkwoord.
Deze uitleg toepassen
Kies een oefentoets werkwoordspelling voor groep 7 of groep 8.