De persoonsvorm in de verleden tijd.
De persoonsvorm van een zin vind je door de zin in de vragende vorm te zetten, dan komt de persoonsvorm vooraan te staan.
De zin: hij gaat naar school. De vragende zin: Gaat hij naar school? Dan is gaat de persoonsvorm.
Een andere manier is om de zin in het meervoud (of enkelvoud) te zetten, dan verandert de persoonsvorm van vorm.
Enkelvoud: hij gaat naar school. Meervoud: wij gaan naar school. Gaat is veranderd in gaan.
Dat zijn dus de twee persoonsvormen.
De persoonsvorm in de verleden tijd:
Dan zijn er twee mogelijkheden: sterke werkwoorden en zwakke werkwoorden.
Er zijn werkwoorden, waarvan in de verleden tijd de klank verandert.
We noemen dat de sterke werkwoorden.
Tegenwoordige tijd: We zwemmen in de vakantie bijna elke dag.
Verleden tijd: We zwommen in de vakantie bijna elke dag.
Tegenwoordige tijd: Ze lopen altijd hand in hand.
Verleden tijd: Ze liepen altijd hand in hand.
Bij zwakke werkwoorden komt er in de verleden tijd achter de ik-vorm -de of -te. Als de zin in het meervoud staat -den of -ten,
Bijvoorbeeld: moeder werkte in de tuin. Het hele werkwoord is werken, de ik-vorm werk, in de verleden tijd wordt het werk+te.
Jan voetbalde op het schoolplein. Het hele werkwoord is voetballen, de ik-vorm voetbal, in de verleden tijd wordt het voetbal+de. ( meervoud de jongens voetbalden)
Hoe weet je nu of het +te of +de wordt? Een hulpmiddel is 't kofschip x.
Als de laatste letter van de ik-vorm op een letter eindigt, die in 't kofschip x staat, dan wordt de verleden tijd +te.
Plassen - ik-vorm plas. Zijn zusje plaste nog elke nacht in haar bedje.
Bukken - ik-vorm buk. Hij bukte net te laat.
Als de verleden tijd op -te eindigt, dan eindigt het voltooid deelwoord ook op een t.
Plaste - Maar vannacht heeft ze niet geplast.
Bukte - Zijn moeder had op tijd gebukt.
Als de laatste letter niet in 't kofschip x staat, dan wordt de verleden tijd ik-vorm + de.
Peter haalde de bus nog maar net.
De regen hoosde naar beneden.
Ook het voltooid deelwoord eindigt dan op een d.
Haalde - vandaag heeft hij de bus niet gehaald.
Hoosde- het heeft nog nooit zo gehoosd van de regen.
Je kunt ook een andere manier toepassen om te weten of het -te of -de is. Je moet dan het woord langer maken. Je hoort dan voetbalde o werkte. Je hoort dan of het te of de moet zijn.
Maar als je het niet zeker weet, gebruik dan 't kofschip x.
Pas op!
Er zijn twee uitzonderingen, dat zijn de v en z woorden, zoals beven, reizen, draven. Bij deze woorden verandert de v in een f en de z in een s als je de ik-vorm maakt. De ik-vorm van beven is beef, de ik-vorm van reizen is reis. Bij v en z woorden gebruiken we de v en z ( en niet de f en s ) bij gebruikt van 't kofschip x. Dus wordt het beefde en reisde, want de v en z staan niet in 't kofschip x.
We zetten alles nog eens in een schema:
ik-vorm + te(n)
zwak werkwoord
werkwoord - verleden tijd: ik-vorm + de(n)
sterk werkwoord klinkerverandering: ik loop - liep.
De zin: hij gaat naar school. De vragende zin: Gaat hij naar school? Dan is gaat de persoonsvorm.
Een andere manier is om de zin in het meervoud (of enkelvoud) te zetten, dan verandert de persoonsvorm van vorm.
Enkelvoud: hij gaat naar school. Meervoud: wij gaan naar school. Gaat is veranderd in gaan.
Dat zijn dus de twee persoonsvormen.
De persoonsvorm in de verleden tijd:
Dan zijn er twee mogelijkheden: sterke werkwoorden en zwakke werkwoorden.
Er zijn werkwoorden, waarvan in de verleden tijd de klank verandert.
We noemen dat de sterke werkwoorden.
Tegenwoordige tijd: We zwemmen in de vakantie bijna elke dag.
Verleden tijd: We zwommen in de vakantie bijna elke dag.
Tegenwoordige tijd: Ze lopen altijd hand in hand.
Verleden tijd: Ze liepen altijd hand in hand.
Bij zwakke werkwoorden komt er in de verleden tijd achter de ik-vorm -de of -te. Als de zin in het meervoud staat -den of -ten,
Bijvoorbeeld: moeder werkte in de tuin. Het hele werkwoord is werken, de ik-vorm werk, in de verleden tijd wordt het werk+te.
Jan voetbalde op het schoolplein. Het hele werkwoord is voetballen, de ik-vorm voetbal, in de verleden tijd wordt het voetbal+de. ( meervoud de jongens voetbalden)
Hoe weet je nu of het +te of +de wordt? Een hulpmiddel is 't kofschip x.
Als de laatste letter van de ik-vorm op een letter eindigt, die in 't kofschip x staat, dan wordt de verleden tijd +te.
Plassen - ik-vorm plas. Zijn zusje plaste nog elke nacht in haar bedje.
Bukken - ik-vorm buk. Hij bukte net te laat.
Als de verleden tijd op -te eindigt, dan eindigt het voltooid deelwoord ook op een t.
Plaste - Maar vannacht heeft ze niet geplast.
Bukte - Zijn moeder had op tijd gebukt.
Als de laatste letter niet in 't kofschip x staat, dan wordt de verleden tijd ik-vorm + de.
Peter haalde de bus nog maar net.
De regen hoosde naar beneden.
Ook het voltooid deelwoord eindigt dan op een d.
Haalde - vandaag heeft hij de bus niet gehaald.
Hoosde- het heeft nog nooit zo gehoosd van de regen.
Je kunt ook een andere manier toepassen om te weten of het -te of -de is. Je moet dan het woord langer maken. Je hoort dan voetbalde o werkte. Je hoort dan of het te of de moet zijn.
Maar als je het niet zeker weet, gebruik dan 't kofschip x.
Pas op!
Er zijn twee uitzonderingen, dat zijn de v en z woorden, zoals beven, reizen, draven. Bij deze woorden verandert de v in een f en de z in een s als je de ik-vorm maakt. De ik-vorm van beven is beef, de ik-vorm van reizen is reis. Bij v en z woorden gebruiken we de v en z ( en niet de f en s ) bij gebruikt van 't kofschip x. Dus wordt het beefde en reisde, want de v en z staan niet in 't kofschip x.
We zetten alles nog eens in een schema:
ik-vorm + te(n)
zwak werkwoord
werkwoord - verleden tijd: ik-vorm + de(n)
sterk werkwoord klinkerverandering: ik loop - liep.
Deze uitleg toepassen
Kies een oefentoets werkwoordspelling voor groep 7 of groep 8.